Verhaal-2011-1



Weerzien                                                                                Kerstverhaal 2011 deel 1


Deel 1.


"Waar ken ik die jongen toch van" vroeg Werner zich af.

Hij wist zeker dat hij hem eerder had gezien. Z’n postuur, houding, gebaren als hij sprak.

Alles aan die jonge coureur van het Amerikaanse team kwam hem bekend voor.

Hij kénde hem, zeker weten, maar hij kon hem maar niet plaatsen.


Na de ISDT (International Six Days Trial, ook wel "de zesdaagse" genoemd), die in september ‘69 plaats vond in Garmisch Partenkirchen, had gastland Duitsland de deelnemende landen uitgenodigd voor een driedaagse wedstrijd van 21 t/m 23 december dat jaar. Niks officieels, zomaar een 3 daagse enduro, als voorbereiding op de zesdaagse van 1970 in Spanje.

Met als extra uitdaging de winterse omstandigheden van de Schnee-Eifel rond de kerstdagen.

De meeste deelnemers aan de zesdaagse hadden hiervoor ingeschreven; Duitsland zelf natuurlijk, de DDR, als winnaar van de "Trophy" in Garmisch en de "gastheer" voor 1970, Spanje. Plus meerdere Europese landen en de USA.

Werner Mayer was als begeleider van het ISDT-team van de DDR meegereisd naar de Eifel in de Bundesrepublik.

Het was in het Amerikaanse kamp dat Werner die jonge gast zag rondlopen... Het liet hem niet los.


James Carpenter, Jim voor vrienden, had zich "uit de naad" gewerkt en georganiseerd om het Amerikaanse team rond Kerst in Duitsland onder te brengen. Als Amerikaan woonachtig in Duitsland, kon hij dit als geen ander regelen.

Hij sprak de taal en dankzij z'n motorzaak had hij zo z'n contacten in Duitsland, ook in het cross- en trialwereldje.

Bovendien zou z'n zoon Vern bij deze sportieve ontmoeting voor het eerst deel uitmaken van het US team.

Naast zijn bezigheden als "kwartiermaker" had Jim voor kerstavond ook een kerstviering voor het team georganiseerd.

De meeste Europese teams konden na de wedstrijd op tijd thuis zijn voor kerst, maar dat lukte de Amerikanen natuurlijk niet.


Dinsdag de 23e. De laatste dag. Rwee dagen was er nu gereden, gestreden, gesleuteld, gekleumd, geleden, geïmproviseerd, geholpen, afgetroefd...

's Ochtends was de spanning te snijden. Hoewel het een sportief, niet officieel gebeuren was, stonden de rijders voor de start allemaal op scherp. Alleen... het DDR-team was nog niet klaar. Waar waren de rijders ? "Psychologische oorlogvoering", werd hier en daar gemompeld. "Ik laat me niet gek maken door die gasten, rij gewoon m'n eigen wedstrijd".

Toch was er iets geks aan deze situatie. Er klopte iets niet.

In de verte werd een zware 2-takt gestart. "Een MZ 500" zei één van de wedstrijdrijders. "Ze komen eraan...".

Maar de motor kwam niet hun kant op, hij verdween met hoge snelheid in tegengestelde richting.

Even was er alleen het zich verwijderende gejank van de 2-takt, maar toen steeg een geschreeuw en geroep op uit het DDR kampement. Een 2e 2-takt werd gestart. Snerpend ging die de 500 achterna. "Een 250", zei iemand.

Daarna werden nóg meer motoren gestart, de pruttelende 3-cylinder 2-takten, van de auto's. Trabants, Wartburgs en de Barkas-busjes stoven in alle richtingen uiteen zo te horen.

Er kwam een Barkas aangescheurd, afgeladen met coureurs. De chauffeur sprong eruit en sommeerde: "we moeten de wedstrijd machines hebben"...

"Nee, kan niet", zei iemand van de organisatie, "Ná de start pas. Anders wordt je gediskwalificeerd".

"Scheißegal" riep de man verhit, en dirigeerde de rijders naar het Parc fermé.

De poort werd geopend, en binnen een mum van tijd waren de DDR rijders op hun MZ's en Simsons verdwenen.

De chauffeur sprong weer in de Barkas en jankte weg. Iedereen was met stomheid geslagen. Niemand zei iets.

Toen klonk er in de verte een schot. En na een paar seconden nog eens twee. Daarna weer stilte...

"What the hell...?" klonk het uit een Amerikaanse mond, gevolgd door een geschokt "blimey" van een Brit.

"Verwed m'n Maico eronder dat er eentje de benen heeft genomen naar het Westen” zei een Duitse coureur, "Ik moet m'n motor hebben. We moeten die gast gaan zoeken. Kom op wie gaat er mee? ".

"Hey Günther", riep Jim geschokt. "Je wilt die gast toch niet uitleveren aan die DDR kliek wel?".

Günther keek beledigd, "Uitleveren ? Ben je niet goed bij je hoofd, Jim ? We moeten die jongen helpen; verstoppen, uit klauwen van die monsters houden. Als we nog niet te laat zijn". “We zijn nog niet te laat”, zei iemand, “Ik hoor die 500 nog”.

"Ik wil dolgraag helpen" zei een Brit "Maar ik ken de weg hier niet".

"Oké" riep Jens, een andere Duitse rijder, "als er nog meer willen helpen zoeken, laten we dan koppeltjes van 2 maken.

Eventuele buitenlanders kunnen met een Duitser samen rijden”.

De Duitse piloten overlegden kort wie welke kant op zou gaan. Hier en daar startten rijders uit diverse landen hun motoren en haakten aan bij een Duitse collega. De "koppeltjes" verdwenen één voor één om de Eifel uit te kammen.

De officials van de organisatie, teamchefs, begeleiders en achtergebleven coureurs van de landenteams begrepen dat deze sportieve ontmoeting in het moeras was gezakt en de wedstrijd werd afgeblazen.

Jim z’n zoon, was met een Amerikaanse maatje ook op zoek gegaan. Hij kende dit gebied vrij goed, ze woonden hier niet ver vandaan. Jim zelf keerde met de rest van de rijders terug naar hun "Basis kamp".

Zoals de meeste landenteams hadden ze als onderkomen een soort park met vakantiehuisjes in de buurt.


Op die ochtend van de laatste wedstrijddag besloot Werner het erop te wagen. Als voorbereiding had hij z’n gevoerde vetpak, handschoenen, helm en bril klaargelegd. Voordat de rest klaar was verliet hij de ontbijtzaal en liep richting toilet.

Niemand in de buurt. Hij pakte z’n uitrusting en glipte aan de achterkant het gebouw uit.

Er stonden een 500 en een 250 cc machine in een soort legertent aan de rand van het kampement.

Het waren experimentele oefenmachines; niet echt voor de wedstrijd bestemd. Werner was van plan de 500 te pakken en

de 250 saboteren. Iedereen was zich aan het voorbereiden voor de laatste wedstrijddag, dus hij had nog tijd.

Hij trok z’n pak aan, nam een jerrycan, en goot de inhoud in de tank van de 500.

Hij draaide zich om om de 250 onklaar te maken en kreeg de schrik van z’n leven; naast de motor stond iemand in een onberispelijke monteursoverall. Het was Flack, een Stasi-agent, vermomd als monteur voor de buitenwereld.

Hij moest rijders en begeleiders in de gaten houden, wist Werner.

Hij stond daar, benen gespreid, armen over elkaar, te grijnzen naar Werner. “Had meneer plannen?”, vroeg hij spottend.

In een nanoseconde zag Werner z’n plan volledig in duigen vallen. Maar nog vóórdat die nanoseconde om was, besloot hij  “dát nooit”, en haalde in wanhoop met de lege jerrycan uit naar Flack. Hij raakte hem op de zijkant van z’n kop.

Begeleid door een hol boingggg…zeeg Flack neer tegen de 250 die mee omviel. Hij bleef groggy liggen.

“Wegwezen” dacht Werner. Hij deed z’n jethelm en stofbril op, handschoenen aan...

Contact aan, benzinekraan open, choke open… "In één keer asjeblieft" bad Werner.

Buiten hoorde hij mensen zijn kant op komen, vragend wat die vreemde geluiden konden betekenen.

De voorste man opende de flap die als deur dienst deed.

Op dat moment trapte Werner de kickstarter naar beneden en met een hels lawaai kwam de 2-takt tot leven.

De mannen bij de tent stopten van schrik, net lang genoeg voor Werner om op de motor te springen en door de opening

de tent uit te scheuren. Buiten koos hij het dichtstbijzijnde bospad en verdween rap uit zicht.

Flack krabbelde overeind, “hou tegen”, riep hij, “hij ontsnapt, erachter aan”. Koortsachtig werd de 250 overeind gezet. Iemand goot benzine uit een jerrycan in de tank - de helft gutste ernaast – en Flack startte de motor.

“Waarschuw Breitheim” gilde hij naar de mannen en ging achter Werner aan, zonder jas, bril, handschoenen.

“Die komt niet ver zo, in die kou” zei één van de mannen met iets van leedvermaak in z’n stem.

Er kwam nog zo’n pias in een “verse” overall aangehold, gevolgd door nog wat mannen.

“Wat gebeurt er”, hijgde hij. “Mayer is ervandoor op de 500 ” zei iemand, “en Herr Flack is erachteraan op de 250”.

Breitheim vloekte, “scheiße, die vlucht naar ’t westen” en hij begon bevelen te blaffen.

De mannen kwamen in actie en binnen een mum van tijd waren hun auto’s en busjes in alle richtingen uitgezwermd.

Hij dirigeerde een groep mannen naar een Barkas busje, ging achter het stuur zitten en scheurde naar de startplaats, in zichzelf mompelend “we moeten er op de wedstrijdmotoren achteraan”.


In de namiddag kwamen de Duitse coureurs met hun gevolg weer terug.

Ze hadden geen spoor van de vluchteling gevonden, hij leek wel in rook opgegaan.

Omdat ze af-en-toe Oost-Duitsers tegenkwamen, namen ze aan dat hij nog op vrije voeten moest zijn.

Voor de meeste buitenlandse rijders werd het echter tijd om zich klaar te maken voor de thuisreis, en ze begaven zich naar hun respectievelijke kampementen. De Duitse rijders werden door de organisatie verzocht het zoeken te staken.

Als een DDR burger vluchtte en zich bij de Duitse autoriteiten meldde dan was dat 1 ding, maar als individuele Duitsers zich "bemoeiden met interne DDR aangelegenheden" kon dat diplomatieke gevoeligheden opleveren.

En zo bloedde de spontane, goedbedoelde “reddingsactie” langzaam dood.

Jim's zoon en z’n maat kwamen laat in de middag terug. Hij had van een Duitser gehoord dat het niet om een coureur of monteur ging, maar om een begeleider, een oudere man al.

Die Duitser had ook een vermoeden waar hij zich schuil zou kunnen houden, maar nu mocht hij niet meer zoeken van de organisatie, “Politiek… pffff” had de gefrustreerde rijder gezegd.

"Ik hoop dat ie het redt" zei Vern, "nog even, dan is het donker. Oh eh... Pa" vervolgde hij, "mag ik de auto vanavond?

We willen met een paar man beetje stappen in de stad. Heb jij hem niet nodig?".

"Hmmm..." reageerde Jim afwezig. Op één of andere manier hield de opmerking van Vern hem bezig...


Na het gezamenlijke avondeten in de eetzaal trok Jim zich terug in z'n huisje. Dat verhaal van z'n zoon wilde maar niet uit z'n gedachten. Hij kende dat gebied wel en zojuist schoot hem weer te binnen dat daar ergens een jagershut moet staan.

Een vriend van hem - een vogel spotter - had hem eens meegenomen om er vogeltjes te spieden en hij krijgt een onverklaarbare drang om toch te gaan kijken.

Even zet hij de gedachte opzij; “gaat mij niet aan”, denkt ie, maar hij kan geen rust vinden. Hij móet er naar toe.

Bijna automatisch pakt hij wat eten, kaas, worst wat appels en 2 flesjes bier, in z’n schoudertas.

Plus de grote staafzaklamp en extra batterijen. Omdat Vern de auto heeft, pakt hij z’n motor.

Hij trekt z'n gewatteerde vetpak aan, start z'n "desert sled", zoals de Triumph TR6 Trophy ook wel genoemd werd, en gaat op weg. Het grootste deel kan hij over de weg rijden, maar de laatste kilometers gaan over een zandweg.

Daarna moet ie nog zo'n 1,5 kilometer lopen naar de hut. Als ie het pad kan vinden tenminste...

Als hij de zandweg is opgedraaid ziet hij na zo'n 200 meter in een zandpaadje rechts een Barkas busje en een pick-up.

Bij het licht van schijnwerpers is een groepje mensen bezig een motor te bergen die daar in een greppel gecrasht is.

Hij stopt even, hoort flarden van wat ze zeggen: "... morgen gebied uitkammen... nu te donker...".

Hij vervolgt zijn weg terwijl hij denkt, "ze hebben hem dus nog niet". Een paar kilometer verderop parkeert hij de motor.

Hij rijdt niet helemaal door tot het voetpaadje om het pad naar de jagershut niet te verraden.

'T is behoorlijk donker. Even overweegt hij z'n zaklamp aan te doen, maar hij beheerst zich en laat z'n ogen aan het donker wennen. Het is weliswaar bewolkt, maar overal ligt sneeuw waardoor hij al snel redelijk kan zien.

Hij schat dat hij over een kilometer bij een viersprongetje komt waar hij hopelijk het voetpaadje naar de hut kan vinden.

Hij begint te lopen. Niet lang daarna begint het te sneeuwen.


Bij de hut aangekomen ziet Jim geen teken van leven, maar ja, eventuele voetsporen zijn inmiddels wel ondergesneeuwd, meent hij. Jim wil de deur openen, maar die is vergrendeld. Hij schijnt met z'n zaklamp door een raam naar binnen. Niks.

In de hut krimpt Werner ineen en drukt zich nog steviger tegen de wand onder het raam.

Jim loopt naar een raam aan de andere kant. Werner probeert onder dat raam te komen, maar zijn geschuifel is hoorbaar.

Jim knipt de zaklamp uit en zegt op gedempte toon in het Duits: "Geen angst, ik ben niet van de DDR. Ik woon hier, wil je helpen. Maak je de deur open?" Even twijfelt Werner en denkt: "Wat een vreemd accent".

Dan schuifelt hij naar de deur en ontgrendelt deze. Jim stapt de hut in.

Hij richt zijn zaklamp op het plafond om niet in het gezicht van de ander te schijnen.

Beide mannen kunnen elkaar goed zien. "Goedena..." begint Jim. Hij stopt... stilte... dan happen ze beiden naar adem... beide monden vallen open... 2 paar ogen vol ongeloof, zo groot als schoteltjes.

Dan fluisteren ze bijna tegelijk elkaars naam; “Jim ?”, “Werner ?”.

Ze begrijpen er niks van. Seconden lang staan ze bewegingloos. Dan komen beiden in beweging.

Ze schudden elkaar zwijgend de hand. Brok in hun keel, tranen schieten in hun ogen. Net als 25 jaar geleden...

Even een momentje van gêne, twijfel... maar dan omhelzen ze elkaar, slaan elkaar op de schouders.

Ongelooflijk of niet, dit weerzien stemde hen beiden bijzonder gelukkig !

Jim sluit de deur en de mannen gaan op één van de bankjes langs de wand zitten.

Hij zet z'n zaklamp rechtop in een hoek, zodat ze licht hebben, en zegt: "Dus jij was het die hem peerde.

Man wat een commotie. Oost en west was naar je op zoek... Maar hoe is het? Je bent onderuit gegaan hè?

Ben je gewond?"."Ach beetje beurs", zegt Werner, "Jim kerel, wat ben ik blij jou weer te zien...".

"Wederzijds Werner, absoluut wederzijds...", antwoordt Jim, "maar eh, heb je honger, dorst?

Ik heb wat bij me, kaas, worst, bier...". Werner had sinds dat halve ontbijt vanochtend niks meer gegeten of gedronken en laat het zich goed smaken. Ondertussen schetst hij kort de gebeurtenissen van vanochtend en besluit met: "Ik zag dat zijweggetje rijkelijk laat en stoof iets te hard de bocht om en de greppel in...

M'n schouder voelde niet helemaal lekker, en m'n enkel leek verstuikt. Omdat de voorvork ontzet was moest ik verder lopen.

Ik had geen idee waar ik was en ik heb uren gedwaald. Ben onderweg veel gestopt om m'n enkel met sneeuw te 'koelen'.

Toen ik dit hutje vond besloot ik hier te overnachten en me morgen ergens bij de autoriteiten te melden.

Als ik de bewoonde wereld kon terugvinden voordat Breitheim en Flack - overigens geen fabrieksmedewerkers maar Stasi agenten - me te pakken krijgen, tenminste...

En toen klopte jij op de deur... ".


Wordt vervolgd